Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/608

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
182
EENIGE BIJZONDERHEDEN

onder het drijvende blad van den waterranonkel. Goudgroen en donker bruin is zijn rug, zilverwit zijn buik en rood als vermilioen zijn staart en zijne vinnen. Wie herkent hem niet aan dit weinige, wie roept niet uit, na hem naauwelijks gezien te hebben: "een baars?"

En geen wonder dat de baars onze aandacht trekt en ons oog verheugt door zijne verschijning; immers van al onze inlandsche visschen is hij zekerlijk de schoonste en tevens de meest beminde. Maar hoewel er zeker niemand onzer lezers is die niet meer dan eens den baars heeft gezien, hetzij in zijn element, hetzij op de vischmarkt, hetzij op tafel, zoo vertrouwen wij toch aan velen geen ondienst te zullen doen met eenige bijzonderheden over dezen visch, zijne levenswijze, zijne vangst en het gebruik dat van hem gemaakt wordt, kortelijk te vermelden.

Wij hebben reeds met een enkel woord gezegd, dat de baars op den rug groenachtig bruin gekleurd is, terwijl hij op de zijden en aan den buik als geelachtig zilver glinstert; dwars over zijnen rug loopen gewoonlijk zes donkere, vrij breede streepen of banden, die spits uitloopen tot over de zijden; somtijds vindt men baarzen met vijf, maar ook met zeven zulke banden, en hoewel hoogst zeldzaam, enkele geheel witte baarzen. Zijne gedaante is niet onbevallig, kort en breed; de kop is matig groot, de mond tamelijk geopend en de staart zeer bewegelijk. Reeds bij de Grieken was hij zeer gezien en bekend; aristoteles spreekt met lof van den baars, en plinius en oppianus vermelden hem. Ook de Romein ausonius noemt den baars: Delicia mensarum. Weinige visschen zijn zoo algemeen verspreid en tevens door alle menschen zoo algemeen bemind als deze. Ook is zijn naam in alle talen van Teutonischen of van Latijnschen oorsprong bijna gelijkluidend en schijnt het dus of in de tijden, toen die talen nog in hare kindschheid waren of misschien wel nog slechts ééne taal vormden, de baars reeds zijn naam ontvangen heeft. Algemeen in Europa en in een groot gedeelte van Azië wordt de baars aangetroffen. Hij leeft in Turkije zoowel als in Lapland, in Nederland als in Siberië, in de rivieren van Engeland als in die van Spanje. De Eus vangt hem zoowel in de stroomen, welke hun water uitstorten in de noordelijke IJszee, als in die welke uitloopen in de Kas-