Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/70

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 58 —

honden, die voor het eerst ter jagt waren geweest, driemaal door de opening, om hun den bloeddoop te geven. Over het algemeen is door het eenzaam leven in de geheimzinnige dennewouden, vooral bij de jagers, het bijgeloof groot. Zij zullen b.v. dagen ver reizen om eene bron te vinden die noordwaarts vliet, daar dit water, onder zekere tooverformulen door den loop vloeijende, het schot zeker maakt; soms schieten zij eene slang uit de buks, waardoor de kogel beter zou doorslaan. Niettegenstaande duizend jaren verliepen sinds olaf de Heilige het Christendom aannam, zoo is de herinnering aan odin en balder nog levendig bij het volk. Nimmer zal de boer, wanneer hij den oogst binnenhaalt, vergeten, eene schoof achter te laten "voor odin's paard" wanneer hij zijn nachtelijken rid doet. De verhalen zijner jagten, en de saga's van den heidentijd verdrijven de lange winteravonden in de hut; nog altijd rust de jager het liefst onder een' esschenboom,[1] die hem toegewijd was in de dagen der Druïden,[2] en een' lieve eenvoudige bloem (Anthemis cotula), waarvan de Edda zegt, dat zij "helder is als balder's wenkbraauwen," ontbreekt nimmer in den bruidskrans en heet thans nog bij het landvolk: balders-brå.

 

 
  1. ....de eschdoorn Ygdrasijl,
    de witomwolkte Hemelboom.
     (Volu-spa, uit de oudere Edda,)

  2. Ofschoon eigenlijk de Keltische priesters door den naam van druïden worden aangeduid, zoo schijnt die naam toch ook in verband met de Odinische leer gebezigd te kunnen worden, als waarschijnlijk zamenhangende met drottnar, gelijk in de Edda de twaalf door odin aangestelde volksrigters en priesters genoemd worden.