Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/747

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

IETS OVER DEN GOUDVISCH.

DOOR

T.C. WINKLER.

 

 

Afwisselende kleuren, en wel hoe schitterender zij zijn des te meer, schijnen over het algemeen het gezigt van den mensch aangenamer indrukken te verwekken, dan eentoonige en zachte schakeringen. De onbeschaafde wilden dossen zich uit met roode en blaauwe tatouëeringen op hunne bruine of gele huid; de Hurons en de bewoners der Rocky Mountains verwen kraaijenvederen rood en geel en steken die op hunnen zwarten scalp. In de middeneeuwen was den ridder geene kleur te afstekende bij eene andere, om zijn wapenschild te verwen, en werden burgtvrouwen en freules verrukt door het zien van blaauwe draken en gele griffioenen op een rood veld, omgeven met zilveren hertenkoppen en groene eenhoorns. Doch niet slechts bij Indianen en in vorige tijden, zelfs in onze beschaafde landen en tijden is die zucht naar blinkende, in het oogvallende kleuren in 't algemeen niet verminderd en wordt haar zooveel mogelijk voldoening gegeven: als de volkeren hunne vreugde te kennen geven, ziet men bonte vlaggen wapperen, als de tijdgeest de menschen noopt beelden op markten en pleinen op te rigten, nemen zij die gelegenheid gretig waar, om te zwaaijen met kakelbonte banieren en over de zwarte gewaden blaauwe en oranje en purperen sjerpen te hangen. Als het volk een vuurwerk ziet afsteken, juicht het dan niet het meest als eene witte zon blaauwe stralen krijgt en roode vonken met groene randen door de duisternis heenzweven? Zelfs lieden van smaak gaan aan dit euvel mank en vinden een boschgezigt het schoonst, als de bruine beuk zijne bladeren vermengt met het rood van lijsterbessen en het wit van den