Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/123

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

KRUIPENDE, LOOPENDE, SPRINGENDE EN KLIMMENDE VISSCHEN.

DOOR

T. C. WINKLER.

 

 

Het is eene algemeen erkende waarheid, dat de zoogdieren op de aarde, de vogelen in de lucht en de visschen in het water leven. Desniettemin is het zelfs bij hem, wiens kennis van de natuurlijke historie zeer oppervlakkig is, eene even bekende zaak, dat er op den bovengemelden regel vele uitzonderingen voorkomen. Zoo vindt men zoogdieren, die in het water leven: (walvisschen, bruinvisschen, enz.) en zoogdieren, die in de lucht vliegen: (vleermuizen). Men kent, vogelen, die nimmer de lucht doorklieven: (pinguïns, casuarissen), en vogelen, die bijna uitsluitend hun leven in de lucht doorbrengen: (meeuwen, zeezwaluwen). Onder de visschen zijn er, die bijna even goed als een vogel door de lucht zweven kunnen: (vliegende visschen), maar of er ook visschen zijn, die hun verblijf, ten minste tijdelijk buiten het water, op het drooge houden? Wij gelooven, dat niet alle lezers van dit Album die vraag met genoegzamen grond bevestigend zullen kunnen beantwoorden; en in gevalle wij ons hierin mogten bedriegen, zoo meenen wij hen toch eenige, niet onbelangrijke bijzonderheden over zulke visschen ter lezing te mogen geven; om hen opmerkzaam te maken op de uitnemende zorg van den Heer der natuur, tot instandhouding van de schepselen, die door Zijne almagt en goedheid het genot des levens mogen smaken, en die onder zekere omstandigheden hetzij zouden hongerlijden, of zouden sterven bij gebrek aan datgene, wat hun organisme volstrektelijk noodig heeft om het doel van zijn aanwezen te kunnen vervullen. Laat ons eenige visschen beschouwen, die