Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/340

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

MIJNE HERINNERINGEN AAN CASPAR GEORGE KAREL REINWARDT.

DOOR

C. PRUIJS van der HOEVEN.

 

 

Er zijn menschen, die wij, ook nadat zij gestorven zijn, niet kunnen vergeten. Zulk een mensch was voor mij gaspar george karel reinwardt. Vraag ik wat het was, dat zulk een diepen, blijvenden indruk op mij maakte, dan weet ik naauwelijks wat te antwoorden. Zijne gedaante was onaanzienlijk en droeg alle sporen van eene ziekelijke kindschheid, zijne stem miste die welluidendheid, welke het oor streelt en de aandacht boeit. Zijn gang was gebrekkig en onbehagelijk, in één woord, van alles wat op het eerste gezigt ons inneemt voor onbekenden, bezat hij niets. Maar naauwelijks was men eenige oogenblikken in zijn, gezelschap, of men gevoelde zich tot hem getrokken, met elke naauwere kennismaking groeide onze belangstelling en eindelijk kon men niet nalaten, hem te beminnen, die eerst, zoo niet onzen afkeer, dan toch ons medelijden had opgewekt. Wat was er toch in dien mensch, dat niet slechts ons mannen, maar zelfs vrouwen voor hem innam en weldra dat onaanzienlijk voorkomen deed vergeten? Ik wensch het mijzelven duidelijk te maken en wilde het met u onderzoeken.

Éénmaal slechts had ik reinwardt gezien vóór zijn vertrek naar Indié, doch te kort en te vlugtig om mij hem levendig te kunnen voorstellen, toen ik te Leiden in mijne tegenwoordige betrekking hem weder ontmoette, en nadere kennis met hem maakte.

Brugmans had ik gehoord en bewonderd om zijne vele en grondige begaafdheden en wenschte nu ook zijn opvolger te hooren. Hier was eene geheel andere persoonlijkheid. Zijne voordragt had iets vermoeijends, hetgeen ons even als zijn schrift, onwillekeurig aan zijn uiterlijk deed denken; doch waren wij éénmaal daaraan gewend, dan gevoelden