Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/677

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
149
HET LEVEN EN WERKEN VAN LINNAEUS.

ook dikwerf die namen weder, waarom hij eenmaal door zijnen vader bedreigd werd, dat hij verder geene namen meer hooren zou, zoo hij ze toch steeds weer vergat; vandaar was hij er ernstig op bedacht ze voortaan vast in zijn geheugen te prenten, om zijn grootste vermaak niet te moeten missen. Oorspronkelijk tot godgeleerde bestemd, maakte hij op het gymnasium te Wexiö slechts geringe vorderingen, en zijn vader had hem in 1726 bijkans tot een of ander handwerk doen overgaan, indien niet eene toevallige ontmoeting met den geneesheer rothman hem tot andere gedachten gebragt had. Deze, die den jongen linnaeus beter had leeren kennen, bood zich aan om hem afzonderlijk onderrigt te geven, totdat hij naar de Hoogeschool zou vertrekken, maar gaf den vader den raad hem van de studie der godgeleerdheid tot die der geneeskunde te laten overgaan. Zoo kwam dan linnaeus in 1727 op de Hoogeschool te Lund, toegerust met vele botanische kennis, die hij gedeeltelijk op zijne wandelingen had bijeengegaard, gedeeltelijk uit eenige boeken, die hij zich had weten te verschaffen, en die hij nacht en dag las. Later verwisselde hij deze Hoogeschool met die van Upsala, waar hij in de bibliotheek van rudbeck veel hulp vond. Hier ontstond reeds in 1729 het eerste denkbeeld van zijn sexueel systeem der planten, vooral nadat hij in de Acta Lipsiensia eene beoordeeling van le vaillant's opstel de sexu plantarum gelezen had. Linnaeus had hier met vele moeijelijkheden te kampen, ja zelfs met behoefte, daar de geringe som, waarmede zijn vader hem naar deze Hoogeschool had gezonden, spoedig was opgeteerd. In 1732 ondernam linnaeus, op kosten der Sociëteit der wetenschappen te Upsal, eene reis door Lapland, waarvan de later uitgegeven Flora lapponica eene vrucht was. Ontberingen en vermoeijenissen wist hij door zijnen jeugdigen ijver en gehard ligchaamsgestel te verdragen; hij zag te Walliware de niet ondergaande zon (Solem inocciduum), en trok om de Botnische golf langs de oostkust tot Abo, van waar hij over Aland naar Upsal overstak.

Het berigt van zijne reis droeg de goedkeuring zijner lastgevers weg. Op deze reis had hij zich bij den bergmeester svanberg in Calix in de essayeerkunst geoefend, en dit gaf hem aanleiding om daarin in 1733 te Upsala onderrigt te geven, welk collegie door velen werd bijgewoond. Zulks wekte den naijver van den jongen dr. rosen, die