Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/116

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
 

EENE TASTBARE WEDERLEGGING.

 

 

Op de onlangs, den 17den September j.l. en volgende dagen, te Spiers gehouden vergadering van Duitsche natuur- en geneeskundigen greep in de door prof. nöggerath van Bonn gepresideerde geologische sectie het volgende zonderlinge voorval plaats.

Te midden eener door een der leden gehouden voordragt, treedt de priester michelis uit Munster binnen, en valt den spreker aanstonds in de rede, met de tot de aanwezigen gerigte vraag: "of zij wel wisten, dat de beoefening der geologie als eene strafbare ketterij moest worden beschouwd?" Allen zijn door dezen buitengewonen uitval zoo verrast, dat men geene woorden vond om den onbescheiden vrager tot de orde te roepen. Hij gaat dan ook voort met zijne kapucijner-preek, waarvan de hoofdzakelijke inhoud op het volgende nederkomt: Indien er iets is, dat voor Christenen ontwijfelbaar vaststaat, dan is het dit: dat de wereld binnen zes dagen en niet in vele duizende van jaren geschapen werd, zooals menschelijke waanwijsheid beweren wil. Bovendien zegt de schrift uitdrukkelijk, dat de Schepper zag, dat zijn werk goed was. Derhalve bestaat thans nog alles wat toen tot stand kwam, en er kan geen sprake zijn van zoo en zoo vele ondergegane scheppingen, als even zoo vele mislukte en daarom weder uitgewischte proefnemingen."

Toen de spreker zoo verre gekomen is, neemt de oude nöggerath zeer gelaten een voor hem liggend vleugelbeen van eenen Pterodactylus (eene soort van gevleugelde hagedis, die in Beijeren bij Solenhofen versteend voorkomt) op en heft dit in de hoogte. De werking eener zoo tastbare wederlegging is even oogenblikkelijk als onwederstaanbaar. De geheele geleerde vergadering barst uit in een hartelijk gelach en bluscht daarmede al de vlammen der hel uit, waarmede de profeet haar bedreigde. (Bonplandia, 1861, p. 358).