Pagina:Arbeiders.djvu/240

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

238

ontslag van eenen bejaarden concierge aan het Departement tot zulke artikelen vol schandalen aanleiding kan geven, is, op zich zelf genomen, een teeken des tijds, dat waard is ad notam te nemen. Want achter dit.... achter deze gehuichelde belangstelling voor de minste bijzonderheden van het Staatsbestuur ligt heel iets anders, iets dat iederen dag meer en meer veld bij ons wint, iets dat wij van den aanvang, van den wortel af, ernstig moeten trachten uit te roeien, indien wij willen verhinderen, dat er schadelijke vruchten aan rijpen voor onze maatschappij. Het is de ingewortelde haat, die alle lage karakters, alle slechts ten halve ontwikkelden tegen alle autoriteiten, tegen allen, die geestelijk boven hen staan, voeden; een haat die zich openbaart tegen de van God over ons gestelde Overheid, en die, terwijl hij aan het schandelijkste ongeloof de hand reikt, tot in de heiligste schuilhoeken van het familieleven doordringt, met het verhevenste den spot drijft, en dreigt onze maatschappij geheel ten onder te brengen, ons tot de wildste anarchie te voeren. Zekerlijk zijn er velen onder ons, die zich geruststellen met de gedachte, dat de Noorsche ambtenaarsstand zich aan dergelijke uitvallen niet zal storen—en met recht. Maar toch beschouwen wij het als onzen plicht den vinger op deze wonde plek te leggen, want hier begint een gevaar, waardoor de geheele maatschappij wordt bedreigd. Eene grens moet er gesteld worden aan de al meer en meer toenemende onbeschaamdheid, die in woorden en geschrift zich het recht aanmatigt te oordeelen over hetgeen, naar de verordeningen Gods en der menschen, boven hun oordeel verheven is; en zoo dit niet door gemeenschappelijke krachtsinspanning van alle burgers geschiedt, zoo zullen wij spoedig van het ergerniswekkende schouwspel getuige zijn, dat eene oproerig gestemde menigte openlijk de wetten trotseert en met de handhavers der