gruwel straffeloos kunnen plegen, — zóó, waar en wanneer hij wilde, vrouwelijke deugd ontheiligd, mannelijke eer vertrapt, menschelijke rechten verkort, eene Koningin tot slavin gemaakt op haar troon en eene andere, — eene engel van schoonheid en liefde, slechts niet sterk genoeg tegen zijne list, — van vernedering tot vernedering heengesleept tot op een schavot."
»Mylord! Mylord! in trouwe, gij trekt u deze zaken te zeer aan; u aanziende, zou men meenen, dat gij hem dit alvermogen, op de vrouwen in \’t algemeen, en op de Koningin in ’t particulier benijddet," sprak Barneveld, met een glimlach en een licht schouderophalen. Het kalm gezond verstand van den doorslepen staatsman onderscheidde ras de overdrijving van den toorn, die Leycester schuldig stelde aan al de fouten en misdaden, die Maria Stuart troon en leven hadden gekost.
Fabian herstelde zich.
»Het is zoo; — ik heb het u gezegd, dat het die man is, die mijn hijliksgeluk, het geluk van heel mijn leven heeft gestoord…"
»En ’t is daarom, dat ge dus heftig naar wrake dorst?"
»’t Is daarom; want gij weet niet, hoe men dien man haat, als men hem eens haten kan…; hoe men dan niet genoeg heeft aan de zekerheid, dat men zijn leven in handen heeft, — dat men zijn bloed zou kunnen storten door een enkel woord, — dat men het in zijne aderen tot ijs kon doen stolten, door eene enkele aanraking van onze hand; — dat men meer wil dan dit, eene langere marteling vooral, dat men voor hem wil teleurstellingen bij iederen wensch, — hindernissen bij ieder ontwerp, — schande en smaad, waar hij glorie en zegepraal had gewenscht, — verwarring en onmacht, waar hij hoopte te heerschen, — miskenning, waar hij dacht zich dank te verwerven, — haat en verachting van geheel een volk, waar hij in zijne ijdelheid zich gevleid had de verlosser te zijn van dat volk, zooals zijne vleiers hem noemden, en den schimplach der wereld bij