De Maulde verbleekte.
»’t Is zoo; die sprake gaat; alleen, gij zult doch wel geen acht nemen op zulke geruchten…?"
»Ter contrarie; ik heb gewoonte, mij zeer nauw te informeeren naar hetgeen ze melden."
»Als vriend van den Grave van Meurs hebt gij zeker geen ongelijk…?"
»Ik ben geen vriend van Nieuwenaar," hernam Norrits barsch en spijtig. »Zoo ik dat geweest ben, is dat gansch anders geworden; de Graaf doet menige zaak verkeerd of onhandig, en men weet nooit recht, naar welke zijde hij zich heeft gewend."
»Gij zoudt het dan niet zoo gansch verkeerd vinden, zoo Utrecht naar een anderen Stadhouder omzag…?"
»Mits men naar de rechte zijde heenzag, waarom niet?"
»Dan zult gij, Sir John, Engelsch edelman! certeyn! niet achten, dat de Prinses de Chimay, op wie ge straks het oog hadt, aan de verkeerde zijde staat, mits ze vol ijvers is voor de zaak van den Graaf."
»Maar boven den Graaf is de Koningin; zij vergete dat niet…:, ."
»Hoe zou ze ’t kunnen?"
»Zij zou zich dus voegen naar den wil der Koningin, zoo ’t geviel, dat zij geroepen werd, haar invloed te gebruiken."
»Ik twijfel daaraan geenszins…; maar zie, wat valt daar voor…?"
Dat deze wijze van eene samenspraak af te breken, die hem moeilijk werd vol te houden, door Norrits in ’t goede werd opgenomen, en zelfs met wederkeerig vrijlaten werd beantwoord, bewijst, dat, hetgeen de Maulde aftrok, eene zeer geldige oorzaak moest hebben; ook was het dit.
Er was een nieuw bezoek gekomen, dat wel voor niemand der aanwezenden een onbeduidend kon zijn, ook zag men dit