der bijeenkomsten aan het huis der Prinses, die de Graaf sinds; eenigen tijd wantrouwde, en de Gravin had van hem verkregen, met hare eigene oogen zich te mogen overtuigen, of zijn wantrouwen rechtmatig was, eer hij tot strenge maatregelen overging jegens eene vrouw van dien rang; »sinds valsche aanbrenging zoo vaak de oorzaak was van bloedige partijschap, en simpel misverstand tot heete vijandschap kon ophitsen;" en zij zeide iets in dien geest tegen de Prinses, toen deze in de grootste verlegenheid haar dankte voor haar »goed gevoelen en goeden wil."
Hetgeen Walburg’s snelle en vaste blik opmerkte, was intusschen niet geschikt, haar te bevestigen in dat »goed gevoelen", zoo het werkelijk bestond.
Burgemeester Prouninck, de Baron North, Jacques de Pottere, de Schepen Gerrit Dompselaer, de predikant Sopingius, meester Philips Rataller en twee der heethoofdigste burger-hoplieden waren geene gestalten, die »jolijselijke vreugdigheid " moesten aanbrengen in een kring, en gansch niet de personen, die men zou gewacht hebben bij eene jonge vrouwe, die gezegd werd, al haar lust te vinden in vermaak. Hoe menigte jongelieden en ook overigens samen waren om die laatste onderstelling te rechtvaardigen, deze allen waren er ook, en zij kwamen er om wat anders, dan om de schoone oogen der Prinses.
Dat ook begreep de Gravin van Nieuwenaar; terwijl zij zich dus in den armstoel nederzette, dien men schielijk voor haar had aangeschoven, kleurde een hooger gloed hare bleeke wangen en fronsden zich eenigszins hare wenkbrauwen. De Gravin had toilet gemaakt voor dit bezoek, zeker niet om te schitteren, maar toch wel om aan de eischen van haar rang te voldoen; zij droeg haar plechtgewaad; een bovenkleed van zwartgekleurd fluweel, met gouden bandeeringen, en een onderkleed van rood armozijn, met goud en gesteente doorstikt. Zij droeg haar prachtig-