Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/186

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
170
OVER DE WETTEN DER VERANDERLIJKHEID.

de verschillende soorten van de zelfde groep, het ook des te meer aan individuele afwijkingen onderhevig is.

Uit het gewone oogpunt gezien, namelijk dat alle soorten onafhankelijk zijn geschapen, is het niet mogelijk te verklaren waarom dat deel, hetwelk verschilt van het zelfde deel bij andere onafhankelijk geschapene soorten van het zelfde geslacht, meer veranderlijk is dan die deelen, welke in de onderscheidene soorten volkomen gelijk zijn. Doch uit het oogpunt dat de soorten niets anders zijn dan wel gekenmerkte en blijvend gewordene rassen, mogen wij zekerlijk verwachten te vinden dat zij nog altijd volhouden met te veranderen in die deelen, welke binnen een betrekkelijk nieuw tijdperk veranderd zijn en die derhalve eerst zoo even gewisseld hebben. Of, om het op eene andere wijze te zeggen: de punten waarin alle soorten van een geslacht op elkander gelijken en waarin zij verschillen van de soorten van een ander geslacht, worden geslachtkenmerken genoemd. Die kenmerken wijt ik in het algemeen aan de overerving van een gemeenen stamvader, want het kan slechts zelden gebeurd zijn dat de natuurkeus verscheidene soorten, die voor eene zeer verschillende levenswijs geschikt waren, op volkomen de zelfde wijze heeft gewijzigd. Als die zoogenoemde geslachtkenmerken geërfd zijn sedert een lang verleden tijdperk—sedert dat tijdperk waarin de soort zich voor het eerst van den algemeenen stamvader verwijderde—en zij vervolgens niet veranderd zijn geworden, zelfs niet in den geringsten graad, dan is het niet waarschijnlijk dat zij in onze dagen zullen veranderen. Aan den anderen kant, de punten waarin de soorten verschillen van andere soorten van het zelfde geslacht, worden soortkenmerken genoemd, en als die soortkenmerken veranderd zijn in het tijdperk waarin de soort zich afscheidde van den stam, dan is het waarschijnlijk dat zij nog altijd min of meer veranderlijk zullen zijn, ten minste veranderlijker dan die deelen der bewerktuiging, welke gedurende een zeer langen tijd standvastig gebleven zijn.