Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/232

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
216
BEZWAREN TEGEN DE LEER.

omkrult, als zij zich tot springen gereed maakt, ten einde vooraf de muis te waarschuwen.

De natuurkeus zal nimmer in een schepsel iets voortbrengen dat voor hem schadelijk is, want zij werkt eenig en alleen ten beste van alle wezens. Geen werktuig wordt ooit gevormd, zooals paley heeft opgemerkt, ten einde pijn te veroorzaken of nadeel te doen aan zijnen bezitter. Als het goede en het kwade, door elk deel veroorzaakt, tegen elkander gewogen werden, zou de schaal verre naar het goede overslaan. Als na verloop van tijd onder veranderde levensvoorwaarden eenig deel schadelijk wordt, zal het gewijzigd worden, of indien dat niet gebeurt, zal het geheele wezen uitgeroeid worden, gelijk er myriaden van schepselen reeds zijn uitgeroeid.

De natuurkeus streeft slechts om elk bewerktuigd schepsel zoo volkomen als, of wel volkomener te maken dan de overige bewoners der zelfde landstreek, waarmede het den strijd des levens moet strijden. De inlandsche planten en dieren van Nieuw Zeeland zijn volkomen, de eene vergeleken met de andere: maar zij wijken thans snel voor de voortdringende legioenen van planten en dieren die uit Europa daar zijn ingevoerd. De natuurkeus zal geene uitsluitende volmaaktheid voortbrengen: ook vinden wij, zoover wij kunnen oordeelen, die volmaaktheid nergens. Men zegt dat zelfs het volmaaktste werktuig, het oog, niet volmaakt is, in zooverre het de verbetering van de verstrooijing der lichtstralen, de aberratie van het licht, betreft. Als onze rede ons noopt om met geestdrift eene menigte van onnavolgbare inrigtingen in de natuur te bewonderen, leert die zelfde rede ons ook—hoewel wij misschien aan weêrszijden dwalen—dat andere inrigtingen minder volkomen zijn. Kunnen wij den angel van eene wesp of eene bij volmaakt noemen, als wij zien dat hij niet weder terug getrokken kan worden, wanneer hij in het ligchaam van een ander dier gestoken is, wijl er weêrhaken aan zitten, en hij zoodoende onvermijdelijk den dood ver-