Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/433

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd



 

TWAALFDE HOOFDSTUK.




DE VERSPREIDING DER SOORTEN OVER DE AARDE.—VERVOLG.


Over de verspreiding van zoetwaterdieren en planten.—Over de bewoners van de eilanden des oceaans.—De afwezigheid van vorschachtige dieren, Batrachiae, en van landzoogdieren op eilanden.—Over de betrekkingen der eilanders tot de bewoners van het naaste vaste land.—Over volkplantingen met opvolgende wijzigingen.—Overzigt van het vorige en van dit hoofdstuk.


Daar meren en rivieren door landen van elkander gescheiden worden, zou men mogen vooronderstellen dat zoetwaterbewoners niet ver in de zelfde landstreek verspreid kunnen zijn, en daar de zee een nog veel onoverkomelijker slagboom is, zou men mogen gelooven dat zij zich niet naar ver van elkander verwijderde landstreken hebben kunnen verspreiden. En toch is juist het tegenovergestelde waar. Niet slechts hebben vele zoetwatervormen, tot geheel verschillende klassen behoorende, een ontzaggelijk groot gebied; maar verwante soorten vindt men op eene hoogst merkwaardige wijze zelfs over de geheele aarde verspreid. Ik herinner mij hoe verwonderd ik was, toen ik voor het eerst de zoete wateren van Brazilië onderzocht, dat er zulk eene groote gelijkheid was tusschen de zoetwaterinsekten en schelpdieren, en zulk eene groote ongelijkheid tusschen de omringende landdieren vergeleken met die van Engeland.

Maar die geschiktheid van zoetwaterbewoners om zich zeer