Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/46

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
32
OVER DE VERANDERINGEN IN DEN TAMMEN STAAT.

gaten en de wijd openende bek. De kortbekkige tuimelaar heeft een bek bijna als die van eenen vink, en de gewone tuimelaar heeft eene zonderlinge erfelijke gewoonte, namelijk die van zeer hoog in de lucht in eene digte schaar te vliegen en in de vlugt zich al tuimelende te laten vallen. De slink is eene groote duif met dikken bek en lange pooten; sommige onderrassen van slinken hebben vrij lange halzen; anderen lange vleugels en staarten; nog anderen bijzonder korte staarten. De kropper heeft een lang lijf, lange vleugels en pooten, en vooral zijn ontzaggelijk ontwikkelde krop, die met de heerlijkste kleuren schittert als hij opgeblazen is, wekt de bewondering van den mensch op. Het meeuwtje heeft een zeer kleinen, kegelvormigen bek en eene strook omgekrulde vederen op de borst; ook heeft het de zonderlinge gewoonte van het bovenste gedeelte van zijnen slokdarm steeds een weinig uitgezet te houden. De raadsheer heeft een krans van omgekrulde vederen rondom den hals, zoodat daardoor eene soort van kap gevormd wordt. De paauwstaart heeft dertig en zelfs veertig staartvederen in plaats van twaalf of veertien, het gewone getal bij alle leden van de groote duivenfamilie; en die staart wordt uitgespannen gehouden en zoo sterk regtstandig naar boven gerigt, dat bij goede paauwstaarten de kop en de staart elkander aanraken, terwijl de smeerklier volkomen ontbreekt. En nu spreken wij nog niet eens van eene bijna ontelbare menigte minder in het oog vallende verschillen.

In de geraamten van de verschillende rassen is een ongeloofelijk groot onderscheid: zooals in de ontwikkeling, de lengte, de breedte en de kromming van de schedelbeenderen. De gedaante zoowel als de breedte en de lengte van den opgaanden tak der onderkaak verschillen grootelijks. Het getal der staart- en heiligbeenwervelen is ongelijk, wat ook het geval is met het getal der ribben, gepaard met hare betrekkelijke breedte, lengte en het al of niet bezitten van uitsteeksels. De vorm en de wijdte van de openingen in het borstbeen zijn zeer ver-