Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/468

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
180
OVER DE VERWANTSCHAPPEN DER BEWERKTUIGDE WEZENS.

schikking. Er is geen natuurkundige die de eene of andere groep heeft bestudeerd of dat feit moet hem getroffen hebben; ook spreekt bijna elk schrijver er over. Het zal genoeg zijn hier robert brown aan te halen, die, over zekere werktuigen der Proteaceae sprekende, zegt: "dat hunne belangrijkheid in de rangschikking, gelijk die van al hunne deelen, niet slechts in dezen maar, zoo als ik vermoed, ook in elke natuurlijke familie zeer ongelijk en in sommige gevallen zoo goed als niets is." En in een ander werk zegt hij "de geslachten der Connaraceae verschillen in het bezit van een of meer vruchtbeginsels, ovariën; in het bezitten of het missen van eiwit, albumen; in de bloemplooijing, Aestivatio. Een van die kenmerken afzonderlijk genomen is veelal van een meer dan gewoon belang in de rangschikking, maar bij elkander genomen schijnen zij zelfs onvoldoende te zijn om Cnestis van Connarus te scheiden." En wil men een voorbeeld uit de klasse der insekten: in de groote afdeeling der vliesvleugeligen, Hymenoptera, zijn de voelsprieten, zooal westwood heeft opgemerkt, zeer standvastig altijd gelijk; in eene andere afdeeling verschillen zij zeer veel, en die verschillen zijn van zeer ondergeschikt belang in de rangschikking, en desniettemin zal er wel geen mensch beweren dat de voelsprieten in die twee afdeelingen van de zelfde orde van een ongelijk physiologisch belang zijn. Men zou eene menigte voorbeelden kunnen geven van de zeer onderscheidene waarde voor de rangschikking en wel van het zelfde belangrijke werktuig in de zelfde groep van schepselen.

Niemand zal beweren dat werktuigen, slechts in beginsel aanwezig of mislukt, van groot physiologisch belang zijn, en echter worden zulke werktuigen dikwijls van groot belang in de rangschikking. Niemand zal ontkennen dat de beginsels van tanden in de bovenkaak van jonge herkaauwende dieren, of zekere beenderen in onontwikkelden toestand in de pooten, van veel belang zijn in het aanwijzen van de groote verwantschap tusschen de herkaauwers, Ruminatia, en de dikhuidigen, Pa-