Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/518

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
230
ALGEMEEN OVERZIGT EN BESLUIT.

soorten eener groep aaneenschakelden door schakels niet minder fijn dan onze tegenwoordige rassen zijn, zoo mag men vragen: waarom zien wij die tusschenvormen, die verbindende schakels, niet rondom ons; waarom zijn alle bewerktuigde wezens dooreengemengd als een niet te ontwarren chaos? Ten opzigte van bestaande vormen moeten wij ons herinneren dat wij geen regt hebben om te verwachten dat wij—behalve in zeer zeldzame gevallen—schakels zullen vinden die hen onmiddellijk vereenigen; wij mogen slechts hopen schakels tusschen een bestaanden en een verdrongenen of uitgestorvenen vorm aan te treffen. Zelfs kunnen wij niet verwachten tusschenrassen te zullen vinden op de tusschenstrooken in een groot gebied, waarin gedurende langen tijd de bodem en het klimaat gelijk gebleven zijn, en de levensvoorwaarden onmerkbaar in elkander overgaan van het eene gewest naar het andere. Want wij mogen op goede gronden gelooven dat slechts eenige weinige soorten in zeker tijdperk veranderingen ondergaan, en dat alle veranderingen langzaam geschieden. Ook heb ik bewezen dat de tusschenrassen, die waarschijnlijk in het eerst op de tusschenstrooken leefden, vatbaar zijn om door de verwante vormen van weêrskanten verdrongen te worden; en de laatsten zullen, omdat zij in grooteren getale bestaan, veelal schielijker gewijzigd en verbeterd worden dan de tusschenrassen, die kleiner van getal zijn. Zoodat de tusschenrassen op den langen duur verdrongen en uitgeroeid zullen worden.

Maar waarom is dan, als er eene oneindige menigte van tusschenschakels, sedert den tijd dat de aarde door levende wezens wordt bewoond, vernietigd is geworden, waarom is elke geologische vorming niet opgevuld met zulke schakels? Waarom geeft elke verzameling van fossile overblijfselen ons dan niet het onweersprekelijke bewijs van de trapgewijze veranderingen der vormen des levens? Dat bewijs vinden wij niet, en dit is de grootste tegenwerping van allen die men tegen mijne leer