Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/67

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
53
OVERZIGT VAN DIT HOOFDSTUK.

anderen veranderen, moet evenwel de zeldzaamheid of het ontbreken van verschillende rassen bij de kat, den ezel, den paauw, en de gans zekerlijk grootendeels daaraan geweten worden, dat er geene keus bij de voortplanting kon plaats hebben: bij de kat niet omdat zij zich niet tot een en het zelfde voorwerp van de andere sexe bepaalt; bij den ezel niet omdat hij meestal bij enkele voorwerpen door arme lieden gehouden wordt; bij den paauw niet omdat hij niet gaarne broedt, en niet in groote toomen gehouden wordt; bij de gans niet omdat zij slechts in twee opzigten waarde heeft, namelijk wegens haar vleesch en hare vederen, en zij niet voor vermaak gehouden wordt, zoodat men geen belang in hare veredeling stelde.

Als uitkomst van onze beschouwingen in dit hoofdstuk vinden wij dus het volgende: De invloed van de levensvoorwaarden op het voorttelingstelsel is van het grootste gewigt in het veroorzaken van veranderingen. De veranderlijkheid is niet noodzakelijk en niet onafscheidelijk aan het bewerktuigde schepsel verbonden. De gevolgen der veranderlijkheid worden in verschillende mate door de erfelijkheid en door het streven tot terugkeer gewijzigd. De veranderlijkheid wordt door vele onbekende wetten beheerscht, vooral door het wederkeerige verband der ligchaamsdeelen onderling. Ook aan den onmiddellijken invloed der levensvoorwaarden en aan dien der gewoonte of der ongewoonte moet iets worden toegeschreven. In sommige gevallen heeft het kruisen der oorspronkelijk verschillende soorten eene groote rol gespeeld in het ontstaan onzer huisdieren en tuinplanten. Indien er in zeker gewest onderscheidene tamme rassen gevestigd zijn, heeft hunne kruising, door eene goede keus bestuurd, eene groote rol in de vorming van nieuwe onderrasen gespeeld. Het belang van de kruising van verscheidenheden is veel te hoog aangeslagen, zoowel met het oog op dieren als op zulke planten die uit zaad voortgeplant worden. Bij planten die tijdelijk door stekken, afleggen, enten en dergelijken voortplanten, is het gewigt der kruising, zoowel tusschen soor-