Pagina:De Drie Musketiers (1910).djvu/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


10

den adel en de Hugenooten, bijwijlen zelfs tegen den koning; doch nooit tegen den kardinaal of tegen den Spanjaard. Het gevolg dezer aangenomen gewoonte was, dat op gezegden eersten Maandag der maand April 1625, de burgers eenige opschudding vernemende, zonder nochtans den gelen of rooden standaard of de kleuren van den hertog de Richelieu te zien, in allerijl naar de herberg de Trouwe Molenaar stormden.

Daar gekomen konden allen de oorzaak van dat rumoer zien en onderscheiden. Een jongeling .... doch schetsen wij vooraf vluchtig zijn portret: Verbeeld u Don Quichotte zonder pantser of dijharnas: Don Quichotte in een wollen buis, welks vroeger blauwe kleur nu was overgegaan tot een onbegrijpelijke wijnmoerstint met hemelsblauwen gloed. Zijn langwerpig bruin gelaat en zijn vooruitstekende wangbeenderen duidden slimheid aan, terwijl de uitstekende kaakbeenderen het onfeilbaar teeken van zijn Gaskonjischen oorsprong waren, dien men in hem herkend zou hebben, zelfs bij gemis aan de Baskische muts, welk rond en plat hoofddeksel, versierd met iets naar een pluim gelijkende, onze jongeling op het hoofd had; zijn blik was vrij en geestig, zijn gebogen neus welgevormd; te groot voor een knaap, te klein voor een volwassen jongeling, zou een min geoefend oog hem voor een op reis zijnden pachterszoon hebben aangezien, zonder den langen degen, die aan een lederen bandelier hangende, tegen de beenen van den eigenaar slingerde, wanneer deze te voet ging, en het ruwe haar van zijn hit wreef, als hij te paard zat. Want onze jongeling bezat een paard, en wel een zoo merkwaardig, dat het door iedereen werd opgemerkt. Het was een Bearneesche hit, twaalf ot veertien jaar oud, geelkleurig van huid, met uitgevallen staart; maar daarentegen voorzien van harde pootgezwellen. Het beestje liet den kop lager dan de knieën hangen 't geen het gebruik van den springteugel onnoodig maakte, doch legde echter nog vlug acht uren daags af. Ongelukkig waren de deugden van het paard zoo diep onder zijn onderlinge huid en onbe-