Deze pagina is proefgelezen
Hoe wrokkende, hoe zeer verbolgen.
Men ziet, hoe later geesten volgen
Op dien door lucht en heldendraf.
Hun naam verydelt doot en graf,
En leeft in weerwil van de tyen.
Hier maken ernst en boerteryen
Een mengeling van zuur en zoet,
Tot een verpozing voor 't gemoedt,
Dat zich vermeit in 't een en 't ander.
Dus hout Houbraken 't spoor van Mander
En van Sandrart, en van de By,
En schaft ons keur van lekkerny.
Ook geeft hy lessen waart te hooren,
Voor dien de Kunst heeft uitgekoren
Tot haren lieven voesterling,
Die voedsel van haar hant ontfing.
Maar hoe zyn veder is te loven,
Nogh gaat haar zyn penceel te boven.
D. van Hoogstraten.