Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/135

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
110
Schouburgh der

zoo veel Konst bezit, dat de zelve hier door in hare geboorte zoude smoren. Hy ried hem vorders zyn voornemen door veel reden af, en liet hem van ’t Volk in de Sloep die aan boord lach, wech stappen, om van den Monstermeester niet gezien te worden zeggende tegens het volk Berg-hem. Dit werd eerst van de genen, die zulks wisten, voor een spreekwoord gehouden, en naderhant in een toenaam verwisselt, dien hy tot het einde van zyn leven gehouden, en zig zelven daar mee benoemt heeft.
Anderen willen dat zulks by gelegentheid van Brant is ontsproten, ter oorzake dat ’er geroepen wierd, (hy toen noch een kind zynde) Berg-hem. Wat van beide nu de Waarheit is, kan ik niet zeggen. De vertellingen hebben my alleen aanleyding gegeven, om den toevalligen oorspronk van zyn Naam te wyzen. Egter zou men uit het een en andere konnen besluiten, dat hy zyn Ouders vroeg verloren heeft, of dat op hem geen naauwe toezigt is gehouden, om zyn welwezen te bezorgen. Dog de Ridder en Karel de Moor heeft my verzekert dat die bynaam oorspronk genomen heeft, by gelegentheid dat hy het grof verkerft hebbende, zyn Vader die een haastig Man was, hem naliep tot in ’t huis van zyn Leermeester J. van Gojen, dreigende hem den kop in te slaan, waar op van Gojen tegen zyne andere leerlingen zeide: Berg hem, terwyl hy den Vader tegen hielt, en in zyn oploopentheit stuitte.
Hy was de Zoon van Pieter Klaasze van Haarlem, die eerst Visschen, naderhant kleene stukjes schilderde, daar doorgaans een tafeltje in kwam met allerhande soort van suikerbanket, in

een