een zilvere schaal of porceleine schotel enz. Behalven zyn Vader die een gemeen Schilder was, heeft onze Berchem verscheiden brave Meesters tot zyn onderwyzers in de konst gehad: als Jan van Gojen, Klaas Mojaart, Pieter Fransze Grebber, Jan Wils, en eindelyk zynen Neef Giov. Babtist Weeninx; welke alle zig vereert gehouden hebben, datze zulk een helder licht in de konst hebben ontstoken: gelyk hy ook weer heeft konnen roemen op menigte van leerlingen die door zyn onderwys tot groote meesters in de Konst opgegroeit zyn.
Hy werd inzonderheit in opzicht van zyne leerwyze geroemt, als ook dat hy de jeugt byzonder wist tot yver aan te sporen, waar toe hy in ’t gemeen spreuken en vaarsjes aan de hand had, als ook dit:
Nimmer moet g’ u zelf, Gezellen!
(Schoon in ’t leeren moeiten steekt,
En g’er veeltyts ’t hooft mee breekt;
’T wyl een ander leegloopt) kwellen,
Of het yv’ren laten staan:
Denk: ik zal weer loon ontfangen
Voor myn moeite, en roem erlangen,
Wanneer d’andere beedlen gaan.
Daar benevens was hy minzaam, beleeft, en van een onbesproken wandel: Ja een Man van uitstekende naarstigheid: dit niettegenstaande kon zyn lieve Huisvrouw de Dochter van den braven Lantschapschilder Jan Wils, (wanneer hy in grooten yver aan zyn werk stil zat te arbeiden, en zy geen geritzel van hem hoorde) zomtyts wel met den stok van een raagbol van onder tegen de zoldering