Deze pagina is proefgelezen
60
Onder de edele vorsten der Trojers en die der Achaiërs.
275Toen bad luid de Atreide voor allen, zijn handen verheffend:
— Heerscher op Ida’s gebergt’, Zeus vader, verheven en roemvol,
Gij ook, zonne, die alles aanschouwt en die alles in ’t rond hoort,
Ook gij, stroomen en aarde, en gij die beneden ’t gericht voert
Over de schimmen der menschen, als iemand valschlijk een eed zwoer,
280Weest ons thans ten getuigen en wachters der heilge verbintnis;
Als wellicht Menelaos geveld wordt door Alexandros,
Laat dan dezen bezitten met Helena alle de schatten,
Doch wij keeren terug op de zeedoorklievende schepen.
Wordt Alexandros echter geveld door den blonden Atreide,
285Helena moeten de Trojers met alle de schatten dan afstaan,
Dat zij d’Argeiërs een boete ook geven, als passend geacht wordt,
Eene die ook bij de late geslachten der menschen in stand blijft.
Maar zoo Priamos dan en de zonen van Priamos weigren
Mij die boete te geven, indien Alexandros gedood is,
290Dan zal ik het gevecht voortzetten ter zake der boete,
Hier volhardend zoo lang tot het doel van het strijden bereikt is.
Alzoo sprak hij en sneed met het gruwzaam koper den schapen
Diep in de keel, en hij legde ze lillende neer op de aarde
Slakend den adem, daar ’t koper de kracht hun benam van het leven;
295Daarna goten zij wijn, met de bekers geschept uit het mengvat,
Plengden en hieven hun bede ten altijd levenden goden.
Alzoo sprak men in ’t heer der Achaiërs en onder de Trojers:
— Zeus, roemruchtige , groote, en andre onsterflijke goden,
Hij die het eerst de bezworen verbonden met schendige daad breekt,
300Dat diens hersenen vloeien op d’aarde, gelijk nu de wijn hier,
Zijne en die zijner kindren, en dwinge een ander hun vrouwen.
Aldus baden zij, echter verhoorde Kronion het geenszins.
Toen sprak Priamos, telg uit de stamme van Dardanos, hun toe:
Hoort mij, Trojers en gij Achaiërs met krachtige scheenplaat,
305Huiswaarts wil ik nu keeren naar Ilios’ luchtige hoogten,
275Toen bad luid de Atreide voor allen, zijn handen verheffend:
— Heerscher op Ida’s gebergt’, Zeus vader, verheven en roemvol,
Gij ook, zonne, die alles aanschouwt en die alles in ’t rond hoort,
Ook gij, stroomen en aarde, en gij die beneden ’t gericht voert
Over de schimmen der menschen, als iemand valschlijk een eed zwoer,
280Weest ons thans ten getuigen en wachters der heilge verbintnis;
Als wellicht Menelaos geveld wordt door Alexandros,
Laat dan dezen bezitten met Helena alle de schatten,
Doch wij keeren terug op de zeedoorklievende schepen.
Wordt Alexandros echter geveld door den blonden Atreide,
285Helena moeten de Trojers met alle de schatten dan afstaan,
Dat zij d’Argeiërs een boete ook geven, als passend geacht wordt,
Eene die ook bij de late geslachten der menschen in stand blijft.
Maar zoo Priamos dan en de zonen van Priamos weigren
Mij die boete te geven, indien Alexandros gedood is,
290Dan zal ik het gevecht voortzetten ter zake der boete,
Hier volhardend zoo lang tot het doel van het strijden bereikt is.
Alzoo sprak hij en sneed met het gruwzaam koper den schapen
Diep in de keel, en hij legde ze lillende neer op de aarde
Slakend den adem, daar ’t koper de kracht hun benam van het leven;
295Daarna goten zij wijn, met de bekers geschept uit het mengvat,
Plengden en hieven hun bede ten altijd levenden goden.
Alzoo sprak men in ’t heer der Achaiërs en onder de Trojers:
— Zeus, roemruchtige , groote, en andre onsterflijke goden,
Hij die het eerst de bezworen verbonden met schendige daad breekt,
300Dat diens hersenen vloeien op d’aarde, gelijk nu de wijn hier,
Zijne en die zijner kindren, en dwinge een ander hun vrouwen.
Aldus baden zij, echter verhoorde Kronion het geenszins.
Toen sprak Priamos, telg uit de stamme van Dardanos, hun toe:
Hoort mij, Trojers en gij Achaiërs met krachtige scheenplaat,
305Huiswaarts wil ik nu keeren naar Ilios’ luchtige hoogten,