Pagina:De ademhaling der planten (1878).djvu/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
10
DE ADEMHALING DER PLANTEN.

natuuronderzoekers, die het vruchtbare talent bezaten, niet alleen enkele vragen met bewonderenswaardigen ijver te vervolgen, maar elk nieuw feit terstond in zijn verband tot de overige bekende feiten te beschouwen. Zijne geschriften leeren, dat hij het groote doel van alle natuurstudie, het samenwerken der krachten te leeren kennen, nooit uit het oog verloor. Hij trachtte dit doel vooral door de aanwending van physische en chemische ervaringen op de physiologie der levende wezens te bereiken. Met belangstelling volgde hij de talrijke ontdekkingen, die in zijn tijd op natuur- en scheikundig gebied gemaakt werden, en legde zich daarbij steeds de vraag voor, in welke betrekking deze tot de door hemzelven bij planten waargenomen verschijnselen stonden. De resultaten van deze vergelijkende studiën gaf hij in de laatste jaren der vorige eeuw in het licht, in den vorm van eene nieuwe bewerking zijner vroegere proeven. Hij voegde daaraan uitdrukkelijk de opmerking toe, dat eerst de nieuwe chemische theorieën hem in staat stelden, uit zijne waarnemingen de juiste verklaring der verschijnselen af te leiden.

Beschouwd in dit nieuwe licht, komen zijne ontdekkingen in hoofdzaak op het volgende neer. Planten ademen, even als dieren, voortdurend zuurstof in en koolzuur uit; alleen de groene bladeren kunnen onder den invloed van het licht koolzuur ontleden en daarvoor zuurstof aan de lucht teruggeven. In deze koolzuur-ontleding zag Ingenhousz de bron van de geheele voeding der plant. De koolstof van het lichaam wordt volgens hem, zoo niet uitsluitend dan toch voor het grootste deel door dit proces ver-