Pagina:De dichtwerken van P.A. de Génestet.pdf/351

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

LXIX.

VOOR SCHRIFTVERKLAARDERS.

      Ach Heeroom, wat smart,
      Die noot is zoo hard!
   Ik kan er den lof niet van zingen.
Ik bijt al, maar vind dat het heel weinig geeft.
Wat of men dan toch aan die noten wel heeft?
   't Zijn nare en onpraktische dingen.

„Ach, lummel! gij eet ze ook zoo als ik ze u gaf;
Wie noten eet, haalt er den bolster eerst af.”

De noot werd door Heeroom gekraakt en gepeld,
Naar regels, in boeken uitvoerig vermeld,
't Blank nootje kwam kijken, maar 't hield zich niet blank,
Want 't bleef in de handen van Oom veel te lank!
Toen lustte de ondeugende jongen 't niet meer....
Pel 't nootje, maar maak het niet morsig, Meneer!
                     



LXX.

PROTEST DER LIBERALEN.

Dat wij hoogmoedig zijn en wanen 't al te weten,
Wordt, telkens, óns door ú naar 't arme hoofd gesmeten.
O valsche onnoozelheid! — Wat immers is 't geval?
Gij weet wat niemand weet, en wij — schier niemendal