Pagina:Dominee, pastoor of rabbi.pdf/29

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
26
dominee, pastoor of rabbi?

4000 menschen sterven, en dat in den regel bij elk sterfbed treurende vaders, moeders of andere familieleden staan, dan wordt het een mensch bang om ’t harte. Er wordt teveel geleden! Hij schiep de wereld om zijns-zelfs wille, leert ons den bijbel, en dat hij ’t inderdaad niet voor ons pleizier deed, merken we duidelijk.
 We eindigen dit hoofdstuk met eenige regels uit den Caïn van lord Byron: (vertaling van Da Costa.)

 Caïn, alleen.

 Dit is het leven dan! Eén zwoegen om te lijden!
 Mijn vader is te zwak, om ’t Noodlot te bestrijden,
 en ’t leven werd zijn straf! maar wat heb ik misdaan?
 ’k Bestond niet: en werd toen genoodzaakt te bestaan,
 toen dat bestaan een staat van wanhoop was geworden! —
 Maar ook mijn vader! waarom viel hij, en omgordden
 de dienaars Gods hem niet met forscher kracht van ziel?
 Waarom weêrstond hij geen verleiding? Waarom viel
 zijn gades onschuld, toen de slang sprak? Of gevallen,
 waartoe die pijniging? — Waartoe in Edens wallen
 dien schoonen boom geplant, ’t oog met zijn ooft getergd,
 en meer dan Englendeugd van d’eersten mensch gevergd?
 Eén antwoord geeft men mij: Hij wilde ’t! Hij is machtig!
 Hij, goed! — Ja, Hij heeft macht! Wij ondervinden ’t krachtig!
 Maar goed? Die goedheid is mij bitter, als mijn bloed
 en lot is, om een schuld die ’k niet beging, en boet!!




HOOFDSTUK XI.

 In een vorig hoofdstuk werd reeds terloops aangestipt dat van al de dogma’s en leerstellingen, die door elkander opvolgende agenten in zaligheid werden uitgevonden, geen enkel zoo winstgevend was als het geloof aan een persoonlijk voortbestaan na den dood. We kunnen er nog bijvoegen, dat geen enkel leerstuk zóó ongerijmd is, en ’t is dan ook waarschijnlijk hieraan toe te schrijven dat het eeuwen duurde vóór zij er mee aan durfden komen.
 Zooals reeds lang werd uitgemaakt en o.a. duidelijk is aangetoond door professor Dozy, namen de Joden eerst tijdens de Babylonische gevangenschap het geloof aan onsterfelijkheid over van de Perzen. Inderdaad wordt in geen enkel der Oud-Testamentische bijbelboeken, in zoover zij vóór die gevangenschap geschreven werden, eenig gewag gemaakt van eeuwigdurende belooning of straf. Mozes belooft armoede en dood aan de ongehoorzamen, rijkdom en een lang leven aan de braven, doch nergens spreekt hij van eene hel of eenen hemel.
 Dat het woord hel in onze Staten-overzetting soms voorkomt, bewijst alleen dat de heeren overzetters er van hielden, het volk zand in de oogen te strooien; in eene eerlijke vertaling zoude het woord hel vervangen moeten worden door ’t woord graf. Met allen lust tot knoeien, konden zij echter sommige gedeelten niet zóó verdraaien,