Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/28

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

2

II.

AAN GOD.

1.

Den hoogen God alleen zij eer!
Elk kniel' voor Hem aanbiddend neêr!
 Elk moet Hem dank bewijzen!
Ja Hem, die ons zoo eindloos goed
Verzorgt en in gevaar behoedt,
 Moet al het schepsel prijzen.
Heft aan, heft aan! roemt zijn gena'!
Hij sloeg ons mededoogend ga',
 Hij schonk ons zijn bescherming.
Zingt dan den hoogen God ter eer!
Aanbidt Hem! buigt u dankend neêr!
 Looft God! looft zijn ontferming!

2.

Ja, Vader! ja, ons lied zijt Gij!
Wij eeren uwe heerschappij,
 O Bron van licht en leven!
Uw grenzenlooze magt gebiedt;
Daar rijzen werelden uit niet.
 Van uwen glans omgeven.
't Is wijs en goed al wat Gij werkt,
Gij heerscht alom en onbeperkt,
 U loven alle tongen!
U Vader! wien 't heelal vereert,
U danken wij, dat Gij regeert,
 Nooit wordt uw lof volzongen.

3.