Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

4

III.

AAN GOD.

1.

 Wij loven U, o God! wij prijzen uwen naam!
 U, eeuwig Vader! U verheft al 't schepfel zaam.
Zingt Serafs Englen zingt! heft magten aan en troonen!
Onafgebroken rijz' uw lied op hooge toonen!
Gij, driemaal heilig zijt G', o God der legerscharen l
Dat aard en hemel steeds uw grootheid openbaren.

2.

 U looft d' Apostelschaar in heerlijkheid, o Heer!
 Profeten, Martelaars vermelden daar uw eer.
Door heel uw Kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden,
In strijd en zegepraal, uw groote naam beleden;
Zij looft, o Vader! U, oneindig in vermogen,
Onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meêdoogen.

3.

 U, Vader! U zij lof, op een' verhoogden toon!
 Lof uwen eigenen, uw' eengeboornen Zoon!
Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven,
Ten Leidsman op den weg naar 't eeuwig zalig leven!
U looft uw Kerk alom, waar gij die ook vergaârde,
U loov', wat loven kan, in hemel en op aarde.

4.

 U, Christus onzen Heer, bekleed met majesteit!
 U, 's Vaders eengen Zoon, zij lof in eeuwigheid!
Het menschdom lag in schuld en vloek voor God verloren,
Gij werdt, den mensch tot heil, uit eene maagd geboren;
Gij hebt aan 't kruis voor ons den dood zijn magt ontnomen,
Zoo baandet G' ons den weg om weêr tot God te komen.

Gij