Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/31

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
5
AAN GOD.

5.

 Gij zit in heerlijkheid aan ’s Vaders regterhand,
 Tot dat G’ als Regter eens de laatste vierschaar spant:
Laat ons in geenen nood uw’ bijstand ooit ontberen!
Gij kocht ons met uw bloed; blijf, Heiland! ons regeren,
Blijf ons, uw erfenis, door uwe magt bewaren,
Wil, met uw heilgen, ons voor uwen troon vergaâren.

6.

 Wij zegenen, o Heer! uw goedheid al den dag!
 Geef, dat eeuw in eeuw uit ons lied U loven mag,
Geef, dat we bij uw komst onstraflijk wezen mogen!
Ontferm, ontferm U, Heer! toon ons uw mededoogen!
Op U steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen!
Zij worden nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen.

IV.

GODS VOLMAAKTHEDEN.

1.

De Heer is God, en niemand meer;
 Verheerlijkt Hem, gij vromen!
Wie is, als aller schepslen Heer,
 Zoo heerlijk, zoo volkomen?
De Heer is groot, zijn naam is groot,
De luister zijner deugden groot,
Oneindig groot zijn wezen.

2.

Hij is, en blijft al wat Hij is,
 Tot in all’ eeuwigheden;
Wie zal zijns naams geheimenis
 Ontdekken, wie ontleden?
Wij menschen zijn van gistren, wij!
Maar, eer het aardrijk was, was Hij,
Ja! eerder, dan de heemlen.

Zijn
A 3