Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/72

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
46
ONDER RAMPEN

3.

Door U geleerd ken ik in God
 Den allerbesten vader,
En ieder onspoed in mijn lot
 Brengt mij zijn liefde nader;
Hij leidt mij op door ramp en druk.
Tot ware deugd en rein geluk:
 Daar voor zal ik Hem danken.

4

Zou ik, in ’t prangen van mijn’ nood,
 Den bittren heildrank schroomen.
Daar Gij door uw’ verzoeningsdood
 Het wrangst’ aan hebt ontnomen?
Neen, starend op dat liefdepand,
Kus ik de vaderlijke hand,
 In ’t midden van mijn lijden.

5.

Mogt ik maar onder tegenheên
 In deugd en godsvrucht winnen.
En U, mijn’ Leidsman hier beneên,
 Steeds vuriger beminnen!
Met U, wat zegt mij aardsch’ ellend?
Met U bereik ik ’t zaligst end.
 Met U blijf ik verwinnaar.

6

Zoo juich ik midden in ’t verdriet.
 Waar andren angstig vreezen.
Mijn Vader! och verlaat mij niet.
 Kastijd mij, waar ’t moet wezen;
Dat ik, voor eigenliefde doof,
Aan uwe liefd’ alleen geloov’,
 En aan uw trouw, o Vader!