Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/74

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
48
ONDER RAMPEN

4.

Ja, bron en deun mijns levens.
 Mijn Vader en mijn God!
Uw liefd’ en wijsheid tevens
 Bestuurden steeds mijn lot.
Wat rampen mij bestrijden,
 Wat om mij zamenspant,
De beker van mijn lijden
 Komt van een vaderhand.

5.

Ook bij mijn bangste smarten
 Blijft G’op mijn heil bedacht;
Gij plaagdet nooit van harten
 Het menschelijk geslacht:
Het leed, dat zelfs den boozen
 Hier strekt tot tuchtiging.
Werd door uw hand gekozen
 Tot hun verbetering.

6.

Gij huwd’ aan zonde smarte.
 Aan zeedlijk kwaad hier pijn.
Opdat in ’t eind hun harte
 Er aan gespeend zou zijn.
Dan juichen z’om een lijden.
 Dat zoo veel heils verving.
Daar Englen zich verblijden
 Om hun verbetering.

7.

En zou dan ’t hart versagen,
 Dat op uw’ naam vertrouwt,
Als ’t onder uwe slagen
 Een vaderhand aanschouwt?
Zou ramp de hoop vermindren
 Van ’t hart, aan U gewijd?
Neen! ’t zijn uw liefde kindren.
 Die Gij het meest kastijdt.


8. Ja