Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
52
DANKLIED.

Ruistchen in deez’ dorre landen
Ook geen bronnen door de zanden,
 Heeft de nacht niet zelfs zijn licht.
 Schoon de zon schuilt voor ’t gezigt?

3.

Zijn niet alle mijne zinnen
 Bronnen van vermaak voor mij?
Elk geluk, dat wij gewinnen.
 Wie verleent het ons, dan Gij?
Hebt Gij, Heer! mij met het leven
Deze zinnen niet gegeven.
 Mij genot voor elke kracht
 Als een vader, toegebragt?

4.

Heer! hoe vele blijde dagen
 Vloeiden zonder tegenheên.
Zonder kommer, zonder klagen.
 Als een klare beek daarheen!
Kwelden m’immer leed of zorgen,
’t Was slechts kort, en elken morgen,
 Als mij uwe zon verheugt.
 Spelt ze mij vernieuwde vreugd.

5.

Wilt Gij, boven ’t geen ik denke,
 Boven ’t geen ik bidden mag.
Mij niet haav’ en voedsel schenken,
 Schut en hulp op elken dag?
Komt Gij mij met uwen zegen
Onverwacht niet telkens tegen,
 Was U ooit gevaar te groot,
 Waarin Gij geen’ bijstand boodt?


6. Van