Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/80

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Deze pagina is niet proefgelezen

54

Danklied

10

Vloeit nu, laat u niet bedwingen,
 Stroomt nu onder 't lofgezang,
Dat wij God ter eere zingen.
 Vreugdetranen van mijn' dank!
Tot een eeuwig zalig leven
Is mijn aanzijn mij gegeven:
 'k Voel verrukt, in 't aardsche dal.
 Wat ik eeuwig worden zal.


XXX.
BLIJDSCHAP in GOD.

1

 Deez' aarde zij een tranendal.
 Verdriet en moeite zij het al,
Wat haar genot ons ooit kan geven;
De Christen mag er vrolijk leven,
 Hij vindt, bij 's werelds eb en vloed,
 In God voor 't hart een vaster goed.
 Een goed, dat met de reinste vreugd
 Hem zelfs voor d'eeuwigheid verheugt.

2

 Ja, wereldvreugd is fmart hier bij,
 Hoe ftreelend haar genot ook zij;
Men vindt steeds doornen aan haar rozen,
Zij doet in 't eind van schaamte blozen,
 Z'ontrooft ons allen zielenvreê:
 Maar vreugd in God brengt zielrust meê.
 Een zielrust, die geen weêrga' heeft.
 Die voorsmaak van den hemel geeft.


3. Al