Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/191

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

gaat zij voort, zou eene poging om haar eigen brood te verdienen haar niet (gelijk thans) doen dalen schier tot het peil van de ongelukkige wezens die zich verkoopen om te leven. Rekent men niet de naaisters en mantelmaaksters tot een klasse die er onmiddellijk op volgt? De weinige betrekkingen thans voor vrouwen toegankelijk maken haar dienstbaar inplaats van haar te bevrijden"[1].... (A Vindication of the Rights of Woman, Scott Library, bl. 709).

Een modern schrijver heeft de drukking op het loon door de mogelijkheid van prostitutie en andere ekonomisch overeenkomstige oorzaken, de oorzaken genoemd van een "natuurlijke goedkoopte" van sommigen vrouwenarbeid: bedoelende dat in het kapitalisme haar arbeid onder de werking van faktoren welke in den aard liggen van het stelsel, noodzakelijk als een artikel van lageren prijs verschijnt. Natuurlijk goedkooper dan mannenarbeid is die van vrouwen daarom, wijl zij niet als de mannen, die, toen het kapitalisme zijn intree hield als broodwinners en zij als huishoudsters werkzaam waren, het onderhoud moeten verdienen voor een gezin. De meeste vrouwen, heeft reeds Stuart Mill gezegd, zijn, "maatschappelijk gesproken, het aanhangsel van dezen of genen man." (Principles of Political Economy, People's ed. bl. 242). Aanvankelijk, schrijft Jules Simon (l'Ouvrière, voorr. 9e uitg. 1891, blz. 2) gebruikte men, tot ongeveer de helft van de 19e eeuw, de vrouwen niet in de groote industrie. Zij verrichtten huisarbeid—"en die bezigheden waren in het leven van de vrouwen van weinig belang. Het veel lagere loon dan dat van de mannen, werd beschouwd als een aanvulling van het inkomen van den vader of van den echtgenoot." Bijvoegsel of aanhangsel van de mannelijke gezinsleden: zoo heeft het moderne kapitaal de vrouw uit de arbeidersklasse gevonden, wat voor hem zeggen wilde, dat hij een volle of althans bijna volle arbeidskracht kon koopen


  1. Men weet dat dit tot op heden het beginsel der feministische beweging gebleven is: niet maar "het recht op arbeid" staat zij voor, maar het recht op winstgevenden, kapitalistischen arbeid.
187