Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/200

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

P.L. TAK GESTORVEN![1]

 

Vriendelijke en onvriendelijke beoordeelaars stemmen met elkaar hierin overeen, dat onze overleden partijgenoot, die vele jaren, een kwart eeuw bijna, aan het openbare en politieke leven deelnam eer hij tot de partij van het socialisme toetrad, in die Partij voor het eerst den werkkring vond die zijn vele gaven tot volkomen ontwikkeling bracht.

Bestuurder van een groote fraktie der Liberalen, oprichter en bestuurder van de organisatie der Radikalen, bleef Tak met al zijn kundigheden en talenten in de tweede rij der aanvoerders.

Hij was niet zoodra overgekomen tot de Sociaaldemokratie of hij stond in het voorste gelid: als hoofdredakteur van het dagblad; als lid van den Raad van Amsterdam, van de Tweede Kamer, van een Provinciale vertegenwoordiging; als voorzitter van het Partijbestuur, en in deze kwaliteit ook met de dagelijksche leiding voor een groot deel belast.

Het zou tastbare overdrijving zijn wanneer men, tot verklaring, wilde zeggen dat Tak iemand was wiens persoonlijke waarde die van de meeste andere publieke mannen overtrof, dat hem alleen door eenig toeval of noodlot in andere Partijen geen recht was wedervaren.

Veeleer moet onzerzijds worden erkend dat de overstelping met verantwoordelijke en moeilijke ambten—enkel de voornaamste werden genoemd—teeken en gevolg is geweest eener betrekkelijke schaarschte aan mannen die, als hij, tot velerlei arbeid bekwaam zijn en voor alle diensten beschikbaar.

Een gebrek, overigens, in de partij van het kapitalistisch proletariaat maar al te begrijpelijk. Het proletariaat, dat slechts door eigen inspanning bevrijd kan worden, moet althans eenigen zijner vertegenwoordigers ontnemen aan de klasse zijner tegenstanders. Zoo bevoordeelt het niet alleen zich zelf, maar verzwakt het tegelijk deze tegenpartij, die wetenschap en beschaving pleegt te beschouwen als een privaatbezit waarvan haar het mono-


  1. Voor het eerst gepubliceerd in De Nieuwe Tijd (1907).
196