Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/66

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


een stelsel onmogelijk gebruikt zou kunnen worden, zij willen óók wel de rijkdommen doen toenemen, en zij meenen ook dat het socialistische stelsel daar op een wondere wijze in zou voorzien, maar zij denken dat het nooit te verwezenlijken is en dat pogingen om het te verwezenlijken overbodig, nutteloos en gevaarlijk zijn. Maar wij, die niet alleen die mogelijkheid inzien, maar zelfs van meening zijn dat de geheele geschiedenis ons niet anders zegt dan dat wij deze verwezenlijking steeds naderbij komen, dat de menschen zonder het te weten en dikwijls terwijl zij het afkeurden en er elkander voor waarschuwden, het stelsel van ons hoe langer hoe meer in toepassing hebben gebracht; wij, die er van overtuigd zijn dat de toepassing compleet zal worden als de menschen er zich de voordeelen van bewust worden, die zij tot heden eenigszins instinktmatig hebben gevoeld; wij die meenen dat de tegenwoordige toestanden niet enkel verkeerd zijn maar voor verbeteringen vatbaar waarvan wij de evolutie dagelijks gadeslaan; wij hebben onze denkbeelden van zedelijk goed en kwaad, van aesthetisch mooi en leelijk zich naar onze inzichten zien wijzigen. Ja, als het niet anders kón, als de opeenhooping van rijkdom en geluk en de vernedering van de massa in armoede en ellende, de wet ware van ons bestaan; als deze noodzakelijkheid voltrokken werd met de onverbiddelijkheid en het indrukwekkende van groote natuurverschijnselen, het aandringen van den zee-vloed, het invallen van den winter, het opgaan van de zon; dan zou er deze ééne en algemeene aesthetiek zijn die de grootheid en heerschappij van dit noodlot maakte tot haar mooi, zooals alle heerschappij en grootheid, van zon en zee en winter, schoonheids-genot geeft. En dit is eenigszins úwe aesthetiek.... Ik druk mij niet compleet uit, ik ben, door uw artikel, plotseling voor het onderwerp gesteld; ik voel, als Adam, een Engel met een vurig zwaard achter mij, en nu keer ik mij om, en zeg, niet zonder stotteren: waarde Engel, laat ons bedaard samen praten, neem een oogenblik plaats, gij hebt den verkeerde voor, doe mij het plezier en leg uw sabel zoolang weg,—ik heb wel gegeten

62