Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/75

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


om van deze noodige maar onbeduidende zaken zooveel te kunnen nemen als hij verkiest. Als de menschen in zooverre gelijk zijn, dat niemand hoeft honger te lijden of met leelijke of te weinig kleeren gaan, dan begint de ware ongelijkheid pas, deze van tegenwoordig is een smerige en bovendien kunstmatige ongelijkheid, en gij kunt háár niet bedoelen als gij met bewondering spreekt van bergen en dalen in het geluk van de menschen. Ik heb u willen zeggen waarom ik deze veracht en verafschuw, zij is in alle deelen en van alle zijden verwerpelijk in een allerhoogste en een overtreffende mate; zij is door de staatslieden en de moralisten en de wijsgeeren en de kunstenaren nog nooit beschermd of geprezen, zij is onfatsoenlijk, onzedelijk, onverstandig, onchristelijk, onschoon in den sterksten zin van elk afkeurend woord. Zij geeft de macht aan de domheid, de glorie aan den leugen, het genot aan den menschenvijand, het geluk aan den stoutmoedigen valschaard en aan den behendigen kruiper; zij doet de besten sterven van honger, of, nog erger, zij sloopt hun talent en hun karakter. Onvermengde eerbied voor het respectabele, zuivere liefde voor het schoone, hooge zetels voor de goeden en grooten, kunnen alleen worden verzekerd in een socialistische maatschappij, waarin een gelijkheid heerscht die de gelijke kansen geeft voor de ontwikkeling van elken aanleg en van iedere deugd. Nu gij mijn woord hebt dat dit en geene andere de socialistische gelijkheid is, zult ge wel willen toegeven, denk ik, dat zij door een zeer verschillend sentiment gevoed wordt, dan waar gij in uw opstel op zinspeelt. Wij hebben in onze gedachte-wereld een geheel andere maatschappij opgebouwd dan de hedendaagsche, en aan haar aspect ontleenen wij de motieven voor de zedelijke en aesthetische veroordeeling van de hedendaagsche, die ik mijn best doe u thans te ontvouwen.

 

V

 

En dit is eigenlijk alles wat men u zeggen kan. Er zal altijd een mooi en een leelijk blijven, de kunstenaars zul-

71