Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/105

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
101
HET BOEK VAN DE LIEFDE.
 

Daar kwam op eens, met een zacht en heerlijk gerucht, de volle gestalte van mijn liefste òp uit het kamerdonker. Den voet op den drempel zag ik, en daarboven was haar donkerblauw kleed — en dit alles was vast en rustig lief in de pijnlijke schemering.

Maar mijn oogen gingen langzaam op en zij zagen het lijf, zooals het bewoog in de kleedplooien.

En er kwam een woord in mij, dat door mijn ziel heenscheurde als een gil — dat mij haast blind maakte als een zware slag.

Het werd mij gezegd, het moet mij gezegd zijn. Ik kon dit niet verzinnen.

Ik kan het niet herhalen, neen ik wil het niet herhalen. Het was niet van mij.

Maar ik zag haar toen, zooals ik haar nooit gezien had. En ik zag alles plotseling om mij heen anders. Hard, scherp, droog, verschrikkelijk helder. Een man die een vrouw verwacht.


En ik voelde om mij heen, in de stad om mij heen, het bestaan van duizenden aan wier wezen het mijne gelijk was. Wat hier gebeurde, dit mij zoo geheel verheven en exceptioneel schijnende, dit was maar het groeien van wat overal groeide om mij heen — het onnoozele jong van het zoo bekende, zoo leelijke en verfoeide dier.