Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/306

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
305
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

elk laatste maal schijnt de schittering van ons samenzijn verduisterend over alle vorige dagen. En in herinnering is het zielevuur, het licht der laatste ontmoeting, van alle anderen het schoonst en sterkst.

De lucht vol rose-goud, achter den Boom breede, blanke strepen, de akker ritselde niet. Onze woorden gleden nu en dan, snel en veel, als in beving van extase, losbrekend wat onbehendig, haastig ontsnappende vogels.

Zoo zeide zij ook dit, nauwkeurig:


—»Ik had een reflexie, die ik moeielijk zeggen kan en toch wou dat je wist.«

»Kijk, als dit het gedestineerde huwelijk is, de liefde van man en vrouw zooals God ze wil, dat opgaan van hart en ziel en oogen en alle zinnen, in die intensiteit, in die uitgebreidheid van grooter en kleiner eigenheden en liefheden, dat nooit gewoon worden, nooit verzadigd, maar bij elk samenzijn dieper en nieuwer en intenser ondervinden al de rijkdom—dan zou immers het leven een Godswonne zijn, dat maar één smart kende—de Dood. En in plaats daarvan wordt er geleden en de Dood begeerd.«

»Dus is dit iets boven mate, iets wat te gespannen is, om als goed bedoeld te zijn.«—