Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/313

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

XLIV.


Zoo heb ik dan begrepen de teere denkingen die ontloken in den gloed dezer liefde.

De teere denkingen worden tot woord, en het woord wordt tot leven.

Het lag alles verscholen in weifeling. De menschen spreken zoo luid en mijn aard was week en tot vertrouwen geneigd. Maar in mij was de liefde altijd sterker dan alle andere dingen. Deze heeft alle weifeling verscheurd en mij hard gemaakt en onwankelbaar. Om liefdes wil wilde ik alle menschen volgen, maar om liefdes wil heb ik ze ook allen verlaten.

Want het kan niet, het kan niet anders. Vol eindeloos erbarmen, maar in vastwillendheid wreed, zooals het Leven wreed is, zonder mededoogen. De zon kent de bladeren der boomen niet en heeft niet een bloem lief boven de andere.

Sommigen bereiken dit uit zichzelven, maar ik heb tot licht en sterkte eenen grooten hartstocht van noode gehad.