Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/312

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
311
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

De droppen van eenen stroom woelen in duizend richtingen, maar de stroom is één met ééne Richting.

Alle deelen dolen, maar het gansche gaat recht. Al onze daden zijn slecht maar het Leven is goed. Niemand is goed dan God alleen.

Wij hebben geen kennis dan van ons innerlijkste Ik. Wij hebben geen richting dan die onzer innerlijkste neigingen. Deze volgende in vrijheid en onverschrokkenheid heb ik dit gevonden. En hier was Recht en Rechter van onverwrikbare gewisheid.

Ik voel zijn Wezen in mij. Maar niet vraag ik naar Doel vóór, of Oorzaak achter, wat menschgedachten zijn, niet van Hem.

Gelaten draag ik mijne menschelijke blindheid en Zijn eeuwige onkenbaarheid. Onverschrokken doe ik wat ik Zijn wil weet, aanvaardend al mijn weten en kennen tot verst bereikbare verten, in eeuwig ontoereikend pogen tot doen samenvallen van mijnen wil met den Zijnen.

Want Hij wil den Deemoed, en de Heldhaftigheid, en het Heldere Zien.