Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/331

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
330
JOHANNES VIATOR.

en scherpe pijn gehad. Maar ik droeg de ketenen van Uw Liefde, ik droeg ze voor U, en het is me of ik niet meer ze missen kan.

Met harde slagen hebt Gij mij gedreven en ik dacht wel dikwijls te bezwijken, blind van pijn. Maar ik wist U dan toch bij me, eiken dag, elk uur. O denk, geen ésLg haast dat ik niet Uw roepen hoorde. Hoe moet ik nu leven als dat niet meer zijn zal?

O mijn Groote Geliefde, Wereldlicht, dat mij zoo zwaar deed dragen, zal ik dan alleen des barens smarten kennen en niet de blije liefde tot het kind? Want dit arm kind zie ik met koude oogen aan, en mijn hart schreit weer om U, om U.

En wie de mensch onder menschen is, hoe zal die nu nog kunnen gaan en leven, doende de dingen van elken dag, het lachen met menschen, het eten en spreken — hoe zal die zich niet weggeborgen wenschen, verscholen en vernietigd, in de doodelijke schaamte en vernedering, nu zijn hooge Broeder gesproken heeft? En wie de Dienaar des Eeuwigen is, uw Dienaar, hoe zal die niet dolen en vergaan als hij zijn strengen, goeden Herder niet meer heeft, de zegenrijke moeiten van zijn weg, die harde vastheid van zijn Werk? Als hij zijn Herder en zijn Vader mist en toch moet dragen, ongebroken, de schrikkelijke Eenzaamheid?

Hoe zult Gij hem redden, hoe zal hij U bemerken,