Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/128

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
DRIEKONINGEN-FEEST
113
 

dat onze beminde onderdaan Willem Barentsz ons het woord heeft gevraagd. Welnu, dat hij spreke!"

Nu stond Barentsz op en zei: „Vrienden! Vanavond was de vreugde aan het woord en het deed mij goed, u zoo opgewekt te zien, het deed mij goed, zelfs onzen sukkelenden Aerjansz weer te zien opleven. Immers,—onze kundige meester Vos heeft het in zoo menig rijmpje gezegd,—opgewektheid is de eerste voorwaarde om gezond te zijn. (De oogen van meester Hans stráálden). Veel liederen heb ik dan ook gehoord, maar toch, één lied,—voor Nederlanders hèt lied—werd tot nog toe vergeten: Het lijdenslied van den grooten Zwijger, dat de jubelkreet van het zegevierende Volk is geworden.

Welaan, mannen, laat ons dan nu eens aanheffen enkele toepasselijke coupletten van dat eenvoudige en toch zoo wonderschoone Wilhelmus!"

Vol geestdrift klonk het nu, in die armzalige hut, te midden der barre sneeuwheuvels van Nova Zembla:

„Lijdt u, mijn Ondersaten
 Die oprecht sijn van aert:
God sal u niet verlaten,
 Al sijt ghij nu beswaert.
Die vroom begheert te leven,
 Bidt God nacht ende dach,
Dat hij mij cracht wil gheven,
 Dat ick u helpen mach."

„Mijn schilt ende betrouwen
 Sijt ghij, o God mijn Heer!
Op U so wil ick bouwen;
 Verlaet mij nimmermeer;
Dat ick doch vroom mach blijven
 U dienaar taller stont,
Die tyranny verdrijven,
 Die mij mijn hert doorwont."

8
Heemskerck op Nova Zembla