Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/146

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
GROOTE ELLENDE EN VERTREK
129
 

met de booten weg, of we zullen hier omkomen van honger!"

„We dienen er den schipper over te spreken, dat het meer dan tijd wordt om hier vandaan te komen," morde Sterrenburgh.

Maar de een voor den ander durfde het niet te vragen. Immers, had de schipper niet gezegd tot het einde van Juli te willen wachten, op 't best van den zomer, in de hoop dat het schip nog los mocht raken?

Maar zóó lang hadden de arme kerels geen geduld meer en ten leste spraken zij er Barentsz eens over en vroegen hem, wanneer ze nu toch eindelijk eens van Nova Zembla zouden raken?

Barentsz maakte er zich met een vriendelijk praatje af, want och, de man was ziek en begon misschien ook al moedeloos te worden.

Er kwamen nu eenige mooie, heldere dagen achter elkaar, maar het schip bleef even vast in het ijs zitten. Het volk werd echter hoe langer hoe ongeduldiger. En toen ze half Mei nog eens een vrachtje hout gehaald hadden, drongen zij er bij den stuurman zóó sterk op aan, den schipper over hun vertrek te spreken, dat hij beloofde het den volgenden dag reeds te doen.

Den anderen morgen was het goed weer, zoodat alle maats zich de leden konden oefenen met springen, loopen, kolven en balwerpen.

Terwijl zij daarmee druk in de weer waren, ging Barentsz den schipper het verlangen der manschappen kenbaar maken. Heemskerck antwoordde, dat hij niet langer meer wachten zou dan déze maand uit. Was het schip nòg niet losgeraakt, dan zouden zij den terugtocht met de schuit en den bok maar wagen.

De maats waren met dit antwoord zeer in hun schik, maar toch, het duurde hun nog lang genoeg en in hun ongeduld tèlden zij de dagen.

Maar toen het weer een dag of vijf later weer heel

9
Heemskerck op Nova Zembla