Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/150

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
GROOTE ELLENDE EN VERTREK
133
 

senningen voorzien, om zooveel mogelijk het instorten van het zeewater te keeren.

Ze moesten dus alleen nog maar te water gebracht worden. Met bijlen en houweelen had men daags te voren den weg reeds geëffend, waar men langs te sleepen had.

Barentsz, zoowel als Claes Andriesz, waren te ziek geweest om naar het werk te komen kijken. Maar nu het er al zóó ver mee stond, zei de schipper aan den stuurman, dat de wind heel gunstig en de zee open was, zoodat hij het wenschelijk achtte, om de reis nu maar te aanvaarden.

Willem Barentsz had inmiddels een geschrift opgemaakt, dat in 't kort hun wedervaren behelsde en waarin met nadruk verklaard werd, dat de nood hen dwong, het schip achter te laten en den terugtocht met de booten te wagen. Dit stuk werd in een musketmaat gedaan en in den schoorsteen opgehangen.

In denzelfden geest schreef nu ook de schipper twee verklaringen, voor elke schuit één, voor het geval zij van elkaar mochten geraken en liet beide verklaringen zooveel mogelijk onderteekenen.

Nu werden schuit en bok te water gebracht en niet minder dan elf sleden met victualie en koopmansgoederen aangesleept. Dat alles scheen dan ook onmogelijk in de schuiten te kunnen en toch had men nog een heeleboel in de hut moeten achterlaten.

Eindelijk was alles ingeladen. Toen werd eerst Willem Barentsz en daarna Claes Andriesz, die beiden heel ziek waren, op een slede gezet en naar de twee vaartuigen getrokken. Elke schuit nam een zieke in; en toen al die werkzaamheden afgeloopen waren, ging men vermoeid ter ruste, om voor 't eerst weer te slapen aan boord van een vaartuig.

Omstreeks vijf uur in den morgen vroeg Barentsz aan de wacht: „Hoe is de wind, vriend?"