Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
EEN NIEUW DENKBEELD
11
 

„Jawel, maar ik bedoel niet, dat u mij nàmen zult noemen. Ik wou alleen maar weten: waren die luiden gehuwd of niet?"

De Veer bedacht zich een poos en zei: „Voor zoover ik kan nagaan waren het de getrouwde zeelui, die..."

„Aha, dacht ik het niet?" riep Plancius op triumfeerenden toon, „daar heb je 't al. Precies wat ik vermoedde. De gehuwden verlangden het eerst terug te keeren, met het oog op vrouw en kinderen, die zij achtergelaten hadden, nietwaar? Welnu, daar kan, als ik straks den magistraat voor mijn plannen zal pogen te winnen, met klem op gewezen worden. Ik zal de heeren aan hun verstand brengen, dat de gehuwde matrozen, om begrijpelijke redenen, het eerst naar huis verlangden. Dat ik daaraan het mislukken van de beide vorige tochten toeschrijf.

„Ja, ja," ging Plancius voort, hoe langer hoe meer met zijn nieuwe denkbeeld ingenomen, „dat zal werken! Onbegrijpelijk, dat daar vroeger niet aan gedacht is! Intusschen, laten we blij wezen, dat we nú tenminste op die gedachte gekomen zijn. Me dunkt, het zal me niet moeilijk vallen den magistraat te overtuigen, dat een nieuwe onderneming alle kans van slagen heeft, wanneer ze maar uitsluitend ongehuwd zeevolk aanwerft. Want die doorgang is er, daar twijfel ik geen oogenblik aan!"

Wel mocht Plancius zich over zijn inval verheugen, want stellig zou het den ijverigen man anders nooit gelukt zijn, de Amsterdamsche regeering tot uitvoering van zijn plannen over te halen. Immers, toen een maand later zijn voorstel bij den magistraat in behandeling kwam, werd het wel is waar aangenomen, maar slechts met een kleine meerderheid.

Nauwelijks had onze Jacob Evertsz. dit vernomen, of hij besloot de gelegenheid tot een nieuwe reis naar de Oostzee te laten voorbijgaan, om zich voor den derden ontdekkings-