Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
EEN NIEUW DENKBEELD
13
 

het getal klanten met den dag zien verminderen. Toch zou hij misschien nog een poosje geprobeerd hebben om het vol te houden, in de hoop, dat de wind nog onverwachts zou mogen omslaan, zooals hij het uitdrukte, wanneer hij niet op zekeren dag van die derde reis naar de Poollanden had gehoord. Toen was er geen houden of keeren meer aan! „Hoor eens, vrouw," had hij gezegd, „je praat wat je praat, maar meegaan zal ik! Met mannen als Heemskerck, Barentsz en De Veer een zwerftocht te mogen maken, dat overkomt een zeeman niet alle dag! Maar al was dat zoo niet, zou het dan toch geen eeuwige schande zijn, als de luiden moesten zeggen: „Kijk, nu er iets gedaan zal worden voor de glorie en de welvaart van onze goede stad, nu bljjft meester Hans Vos stilletjes bij moeder de vrouw in het hoekje zitten."

En zijn vrouw mocht tegenpruttelen of niet, onze meester was op dien vijfden Mei naar bedoelde taveerne gestapt en had zich als scheepsbarbier op het vaartuig van Heemskerck en Barentsz laten aanmonsteren.

Den 10den van Bloeimaand vertrokken de beide bodems van Amsterdam en kwamen den 13den in het Vlie aan. Twee dagen later werd alles in gereedheid gebracht om uit te zeilen. De kabels werden gewonden, de zeilen geheschen en onder 't gebulder van 't geschut verliet men de Vaderlandsche reê. Maar het begin van den tocht was niet heel gelukkig. De stroom verliep en de wind liep naar het Noordoosten, zoodat zij gedwongen werden terug te keeren, om een gunstiger gelegenheid af te wachten. Bij dat alles kwam nog, dat het schip van Jan Cornelisz op dien terugtocht aan den grond geraakte en pas met het volgende getij, en toen nog slechts met de grootste moeite, weer vlot kon komen.

„Dat is een slecht voorteeken, kameraden!" bromde Laurens Willemsz, een oud varensgast, met een bedenkelijk gezicht.