Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/184

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
NAAR AMSTERDAM TERUG
165
 

O, nu zou alle kommer voorbij, nu zou alle lijden geleden zijn!

Reeds den volgenden dag—neen, ze vergisten zich niet! Daar kwam al een jol aanroeien!

„Hoezee!" riep Jacob, toen hij Sterrenburgh daarin ontdekte.

„Hoezee! Hoezee!" juichten ook de anderen, toen ze zagen, dat Jan Cornelisz Rijp in eigen persoon in het vaartuig zat.

Aan land ontvingen Heemskerck en Rijp elkaar met de geestdrift van twee broers, die elkaar als uit den dood hadden weergekregen. Aan het gejuich van het volk kwam haast geen einde en toen het bleek, dat Jan Cornelisz. een grooten voorraad levensmiddelen had meegebracht, toen begon het gejubel opnieuw.

Daar was dan ook een heele ton Rostocker bier, daar was wijn, brood, vleesch, spek, zalm, suiker, ja, wat niet al!

Den anderen dag, den laatsten Augustus, namen ze afscheid van de Russen, gaven hun wat geld voor de genoten gastvrijheid en gingen, met blijdschap in 't hart, onder zeil.

Aan den morgen van den eersten September kwamen zij aan de Westzijde van de rivier van Kola en toen ze den volgenden dag eenige boomen aan den oever zagen, o, tóén was het hun of zij in een nieuwe wereld gekomen waren. Want maanden en maanden lang hadden zij geen enkelen boom gezien.

Dáár kwamen ze eindelijk aan het schip van Jan Cornelisz! Nieuwe blijdschap, nieuwe verwelkoming, nieuw gejuich en gejubel en opgewonden kermispret met hun vroegere reisgenooten!

Er waren echter verscheidene dagen noodig, eer zij geheel van de doorgestane ellende hersteld en weer tot gezondheid en kracht gekomen waren.

Den 11den brachten zij, met verlof van den Bojaar