Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/186

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
NAAR AMSTERDAM TERUG
167
 

Een einde?

Och neen, de verdrietige stemming door het eindeloos wachten opgewekt, was verdwenen, maar het ongeduld nam toe, naarmate zij meer het Vaderland naderden.

Wat krópen die dagen om! Hoe tráág ging dat schip toch, vonden ze!

En toch waren zij den 29sten reeds voor de Maas en stapten een dag later 's morgens te Maaslandssluis aan wal.

Terstond reisden ze verder door Delft, Den Haag en Haarlem en kwamen, nog in dezelfde kleeren, die zij op Nova Zembla droegen, 's middags van den eersten November te Amsterdam aan.

„Ja mannen, vóór we naar familie en kennissen gaan, éérst naar Pieter Hasselaer!" zei Heemskerck. „Hij is een van de stadsbewindhebbers die het meest tot de uitrusting van de twee schepen heeft bijgedragen. We zijn dus verplicht, hèm in de eerste plaats te vertellen, hoe ook de derde tocht naar het Noorden mislukt is."

Toen ze bij Hasselaer kwamen, stond de man niet weinig verbaasd, hen te zien, want heel Amsterdam meende, dat zij al lang omgekomen waren.

Nog was Heemskerck bezig, met verslag van zijn reis te doen, toen er een boodschap kwam van den gezant van den Koning van Zweden. Die had reeds van hun terugkomst gehoord en wenschte hen te zien en te spreken.

Door den schout en twee schepenen werden zij er nu heen geleid.

Alle daar aanwezige heeren hoorden met de meeste belangstelling naar het verhaal van hun wedervaren, hun lijden en diepe ellende.

„Mannen," sprak de schout, toen Heemskerck geëindigd had, „ik heb geluisterd met eerbied en bewondering naar alles wat de kloeke schipper ons daar verteld heeft. Ja, laat ik het openlijk getuigen, bewondering en