Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/46

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

IJS, IJS, OVERAL IJS! 39

kookt, een welkome afwisseling in het eten aanbrachten.

Nog altijd van plan, om Noordelijk aan te houden, hielden zij steeds de Westkust van Spitsbergen, totdat zij den Noordwestelijken uithoek van het eiland bereikten. Door den zwaren Zuidoosten wind was het hun evenwel onmogelijk, ondanks een inspanning van meer dan 24 uren, dien Noordwestelijken uithoek òm te komen. Zij waren nu wel genoodzaakt weer terug te keeren en te zien, of de doortocht langs de óostzijde van Spitsbergen ook mogelijk was.

Intusschen gingen zij herhaaldelijk aan land, om er merkteekens op te richten, ten bewijze, dat zij daar geweest waren. Met het luie leventje was het lang reeds gedaan. Slag op slag moesten zij uitwijken voor het ijs, en na een ongehoorde inspannnig, kregen zij den eersten Juli opnieuw het Bereneiland in 't gezicht. Dagen lang hadden ze gewerkt en geworsteld en zie, nu waren zij nog precies even ver als vier weken geleden.

Het volk werd stil en somber. Iedereen had een vaag vermoeden, dat de tocht niet naar wensch ging, maar niemand durfde zijn gedachten tegen een der anderen uitspreken.

Opnieuw liet Heemskerck thans scheepsraad beleggen. Aan het voorschrift van Plancius was dan nu letterlijk voldaan. Men hàd zoo hoog mogelijk Noordwaarts aangehouden. Zóó hoog als nog geen zeevaarder ooit geweest was. Maar de doortocht naar 't Oosten was daar onmogelijk gebleken. Wat nu gedaan?

„Oostelijk zeilen!" meende Barentsz.

„Warempel niet!" zei Jan Cornelisz, „Noordwaarts aan! Kon het langs de Westkust van Spitsbergen niet, welnu, dan langs de Oostkust geprobeerd."

Lang en breed werd over de beide meeningen gesproken, maar ten laatste kwam men tot het besluit, dat elk der beide vaartuigen zijn eigen koers zou volgen. Jan Cornelisz hield nu, na de Zuidkust van het Beren-